De Drie Biggetjes

De Drie Biggetjes

1

Hoofdstuk 1: Tijd om te gaan

Er waren eens, midden in een zacht, groen bos, drie kleine biggetjes. Ze hadden krulstaartjes, roze snuitjes en oren die alle kanten op wiebelden. Ze woonden bij hun moeder, maar het huisje werd veel te klein voor drie biggen die steeds groter werden. Op een zonnige ochtend veegde Mama Big haar handen af aan haar schort en zei: "Mijn lieve schatjes, jullie zijn nu groot genoeg om de wijde wereld in te trekken. Jullie moeten je eigen huis bouwen. Maar onthoud: wat je ook doet, doe het zo goed als je kunt, want ergens in de wereld loopt een Grote Boze Wolf rond." De drie biggetjes gaven hun moeder een kus en zeiden gedag. Ze knoopten wat lekkers in hun zakdoek en trippelden het stoffige pad af, terwijl ze een vrolijk liedje zongen. Ze voelden zich dapper en opgewonden. Maar hoe dieper ze het bos in liepen, hoe hoger de bomen en hoe langer de schaduwen werden. Plotseling klonk er een luid gekraak achter hen. KRAK! De drie biggetjes stonden als aan de grond genageld.
Did you know?
Wist je dat de snuit van een varken superspeciaal is? Ze gebruiken hem als een krachtige neus en een klein schepje om heerlijk eten te vinden dat in de grond verstopt zit!