Het Lelijke Eendje
Een vogel die er anders uitziet dan zijn broertjes en zusjes wordt geplaagd, totdat hij opgroeit en ontdekt dat hij eigenlijk een prachtige zwaan is.
Hoofdstuk 1: Het Eigenwijze Ei
Er was eens, diep op het platteland, een prachtige zomerdag. Het graan was goudgeel, de haver was groen, en beneden bij het water zat een Moedereend op haar nest. Ze zat daar al heel lang.
Eén voor één begonnen de eieren te barsten. Piep! Piep! Kleine gele kopjes kwamen tevoorschijn. "Kwak! Kwak!" zei Moedereend, en alle eendjes keken naar de grote, groene wereld.
Maar er was nog één ei over. Het was heel groot en heel stil. Een oude eend kwam op bezoek en keek naar het nest. "Dat is een kalkoenei!" waarschuwde ze. "Laat het met rust en ga de anderen leren zwemmen."
Moedereend keek naar het grote ei. "Nee, ik heb al zo lang gezeten," zei ze. "Ik blijf nog even zitten."
Plotseling wiebelde het grote ei een beetje. Krak! Er viel een stukje van de schaal af.
Hoofdstuk 2: Plonsen of Zinken?
Het laatste kuiken rolde eruit. Maar oh jee! Hij was niet geel en donzig. Hij was groot, grijs en zag er erg onhandig uit.
"Dat is een vreselijk groot eendje," zei Moedereend. "Hij lijkt helemaal niet op de anderen."
De volgende ochtend scheen de zon fel. Moedereend nam haar familie mee naar de sloot. Plons! Ze sprong in het water. "Kwak! Kwak!" riep ze, en het ene na het andere eendje sprong erin. Het water ging over hun kopjes, maar ze kwamen meteen weer boven en dreven prachtig.
Toen was de grote grijze aan de beurt. Hij stond aan de rand van de modderige oever. De oude eend had gezegd dat hij een kalkoen was, en kalkoenen kunnen niet zwemmen.
Moedereend hield haar adem in toen de grijze sprong.
Hoofdstuk 3: Pesterijen op de Boerderij
Hij zwom! Sterker nog, hij zwom heel goed en hield zijn kop hoog. "Hij is geen kalkoen," zei Moedereend trots. "Kom mee, kinderen! We gaan naar de boerderij om de andere dieren te ontmoeten."
Maar het boerenerf was een lawaaierige, enge plek. De andere eenden staarden naar de grijze broer. "Kijk nou hoe lelijk die is!" siste een eend, en hij beet het grijze eendje in zijn nek.
Zelfs de kippen pikten naar hem. Een grote kalkoen blies zichzelf op als een schip met volle zeilen, werd rood en klokte luid recht in het gezicht van het arme eendje.
Dag na dag werd het erger. Zelfs zijn eigen broertjes en zusjes zeiden: "Ik wou dat de kat je ving, lelijk ding!"
Het arme eendje keek naar het lage hek. Hij was verdrietig en bang.
Hoofdstuk 4: De Jachthond
Hij maakte zijn keuze. Hij deed zijn ogen dicht en vloog over het hek! De kleine vogeltjes in de struiken vlogen geschrokken weg. "Dat komt omdat ik zo lelijk ben," dacht het eendje.
Hij rende tot hij bij het grote moeras kwam waar de wilde eenden leefden. Hij was moe en eenzaam. Hij bleef daar twee dagen, en probeerde zich te verstoppen onder het riet.
Plotseling—Pang! Pang!
Overal in het moeras waren jagers! Kruitdamp hing als wolken boven het water. Plons! Jachthonden sprongen in het water en peddelden door de modder.
Het arme eendje was doodsbang. Hij draaide zijn kop om hem onder zijn vleugel te steken, maar precies op dat moment verscheen er een angstaanjagend grote hond recht voor hem! Zijn tong hing uit zijn bek en zijn ogen staarden. De hond duwde zijn grote neus recht tegen het eendje aan.
Hoofdstuk 5: Het Krakkemikkige Huisje
De hond snoof... en toen plons! Hij ging weg zonder hem aan te raken.
"O, gelukkig maar," zuchtte het eendje. "Ik ben zo lelijk dat zelfs de hond me niet wil bijten."
Hij bleef stil liggen tot de zon onderging. Toen rende hij zo snel als zijn pootjes hem konden dragen. Er stak een storm op. De wind was zo sterk dat het eendje op zijn staart moest gaan zitten om niet weg te waaien!
In het donker zag hij een klein huisje. Het was oud en bouwvallig, maar het bood beschutting. De deur was zijn onderste scharnier kwijt, waardoor er een kier was die net groot genoeg was om doorheen te glippen.
Rillend en nat glipte het eendje naar binnen. Maar het huisje was niet leeg. In de hoek keken gloeiende ogen naar hem.
Hoofdstuk 6: De Kip en de Kat
Daar woonde een oude vrouw met haar Kat en haar Kip. De Kat kon zijn rug krommen en spinnen. De Kip had korte pootjes en legde goede eieren.
De volgende ochtend zagen ze het vreemde eendje. "Kun jij eieren leggen?" vroeg de Kip.
"Nee," zei het eendje.
"Kun jij je rug krommen en spinnen?" vroeg de Kat.
"Nee," zei het eendje.
"Dan ben je nutteloos," zeiden ze.
Het eendje zat verdrietig in de hoek. Hij dacht aan de frisse lucht en de zonneschijn. Hij herinnerde zich hoe fijn het voelde om op het water te drijven.
"Ik wil gaan zwemmen," zei het eendje tegen de Kip.
"Je bent gek," kakelde de Kip. "Vraag het maar aan de Kat. Hij is de slimste die ik ken. Vraag hem maar of hij van zwemmen houdt!"
De deur stond open. Buiten blies de herfstwind de bladeren rond.
Hoofdstuk 7: De Prachtige Vogels
Het eendje wist dat hij niet in het huisje thuishoorde. Hij waggelde de herfstwereld in. Hij zwom en dook, maar alle dieren negeerden hem omdat hij zo lelijk was.
Op een avond, toen de zon onderging, kwam er een zwerm prachtige vogels uit de struiken. Het eendje had nog nooit zoiets moois gezien. Ze waren schitterend wit met lange, sierlijke halzen. Het waren zwanen.
Ze slaakten een vreemde, luide kreet, spreidden hun prachtige vleugels en vlogen hoger en hoger. Het lelijke eendje draaide in het water rond als een tol en strekte zijn nek naar hen uit. Hij hield meer van hen dan hij ooit van iets had gehouden.
Maar de winter kwam eraan. Het werd kouder en kouder. De vijver begon te bevriezen. Het eendje moest de hele tijd met zijn pootjes trappelen om te voorkomen dat het water helemaal dichtvroor.
Plotseling was hij te moe om te bewegen. Het ijs sloot zich om hem heen en zette zijn pootjes vast. Hij zat muurvast in het ijs!
Hoofdstuk 8: Chaos in de Keuken
Vroeg de volgende ochtend kwam er een boer voorbij. Hij zag de arme vogel, brak het ijs met zijn klomp en droeg hem naar huis.
Door de warmte van de boerderij kwam het eendje weer tot leven. Maar de kinderen van de boer wilden met hem spelen, en het eendje was doodsbang! Hij dacht dat ze hem pijn wilden doen.
In paniek fladderde hij op—plons!—recht in de melkemmer! De melk spatte alle kanten op. De boerin schreeuwde en sloeg haar handen in de lucht.
Geschrokken door het lawaai vloog het eendje in het botervat en daarna in de meelton! O, wat een gezicht was dat! De kinderen lachten, de hond blafte en de boerin joeg hem achterna met een vuurtang.
De deur woei open. Het eendje krabbelde naar buiten, de sneeuw in. Het was ijskoud en hij kon nergens heen.
Hoofdstuk 9: Het Spiegelbeeld
Het zou te verdrietig zijn om alle moeilijkheden te vertellen die het arme eendje die lange, zware winter heeft doorstaan. Maar hij heeft het overleefd.
Eindelijk begon de zon weer warm te schijnen. De leeuweriken zongen. Het was lente!
Het eendje klapperde met zijn vleugels. Ze voelden sterker dan voorheen. Hij vloog tot hij landde in een grote tuin met appelbomen en seringen. En daar, zwemmend op het water, waren drie prachtige witte zwanen.
"Ik vlieg naar ze toe," dacht hij. "Misschien pikken ze me dood omdat ik zo lelijk ben, maar dat kan me niet schelen. Het is beter om door hen gedood te worden dan gebeten te worden door eenden of gepikt door kippen."
Hij zwom naar de koninklijke vogels toe. Ze kwamen hem met opgezette veren tegemoet.
"Dood me maar!" fluisterde het arme dier, en hij boog zijn hoofd naar het water, wachtend op het einde.
Maar toen hij naar beneden keek, zag hij zijn eigen spiegelbeeld in het helderblauwe water.
Hoofdstuk 10: En ze leefden nog lang en gelukkig
Hij zag geen onhandige, donkergrijze vogel. Hij zag een zwaan!
Hij was niet langer een lelijk eendje. Hij was een prachtige witte zwaan! De grote zwanen zwommen om hem heen en streelden hem met hun snavels om hem te verwelkomen.
Er kwamen wat kinderen de tuin in met brood en cake. Het jongste kind riep uit: "Kijk! Er is een nieuwe!"
En de andere kinderen riepen: "Ja, er is een nieuwe bijgekomen! Hij is de mooiste van allemaal!"
De oude zwanen bogen voor hem. De nieuwe zwaan voelde zich erg verlegen en verborg zijn kop onder zijn vleugel. Hij was zo gelukkig, maar niet trots, want een goed hart is nooit trots.
Hij ruiste met zijn veren, boog zijn slanke hals en dacht: "Ik had nooit van zulk geluk gedroomd toen ik het lelijke eendje was."
En hij leefde nog lang en gelukkig.
